Hoofdstuk 26 Het laatste verstand

Het laatste verstand, we moeten het weer leren op te diepen, daar zijn een aantal redenen voor. 
  • In de Gnostische mogelijkheid zoals ik hem ken, kunnen ook heel subtiele weerstanden liggen tegenover de werking van de Stuwing. In Christelijke termen zou je het Genade kunnen noemen, die altijd met je bezig is ondanks de weerstanden en de angst voor het gene wat nog niet ervaren is. Maar vrees niet, Gods genade bestaat in essentie uit liefde, .....toch weet ik, vele mensen zijn bang voor de Gnosis, omdat ze ons niet het gevoel geeft, op deze grond sta ik en ik voel me veilig. De Gnosis, je moet hem kennen om zijn resultaat in de mens te kunnen begrijpen! Daarom ook moet U rustig en met vertrouwen beginnen.
  •                                                                                                                                                        De remedie is in de methode ingebakken, als je één voor één te werk gaat, en je handelt afzonderlijk in de differentie, kun je elk apart verrijken en je verrijkt met zekerheid jezelf. Degene die je wilt overtuigen, zal soms jou overtuigen en degene die je wilt verleiden zal jou verleiden. De vele druktes heeft U helemaal niet nodig, ......want,
     
  • Want als je je wijdt aan de onbepaalde veelheid, pas dan op dat ze je er niet toe brengt om alleen nog maar te denken aan wat ermee gedaan kan worden. Want dat past dan ook totaal niet in de universele scholing 's weg, dat past alleen bij het materialistische ego! Hier heb ik het ergste handeling 's probleem wel te pakken.
     
  • En de Zachte krachten zullen zeker winnen in 't eind.....dit hoor ik als een innig fluisteren in mij. Zoo 't zweeg zou alle licht verduisteren en alle warmte zou verstarren van binnen. En wat er verder nog wordt gemeend en gedacht, is alleen bekend aan het materiële ego, dat was het wat het doet verstarren, dat moet je dus niet hebben van binnen.
  • Doch U en Ik werden geboren met een aard die sterk van zelf gaat naar de kern van alle zaken.
    Maar veel stond tussen mij in en mijn werk, en bij U zal het niet veel anders zijn.
    Groeiende heb ik dat op zij gezet; ....het werd al lichter, alle duisters braken en ik zag liefde als de levenswet.


Dit éne weten wij en aan die één
Houden wij ons vast in de duistre uren; ....
Er is één woord dat eeuwiglijk zal duren,
En wie 't verstaat die is niet meer alleen

 

Henriëtte Roland Holst
 

De kracht van de rede wordt echter vaak overschat, ook door wiskundigen. In de wiskunde kun je pas echt iets bewijzen, denkt men. Dat is uiteraard te rijmen met mijn geloof in de God, die rechtgeaarde die doordringt tot in de kern. Maar het heeft me wel getroffen dat Pascal al in de zeventiende eeuw tegen een overschatting van het verstand heeft gewaarschuwd, want je moet hem wel weten op te diepen.
 Op magistrale wijze heeft Pascal de juiste plaats van het verstand beschreven. "De laatste stap van het verstand is; .... erkennen dat er een oneindig aantal dingen is waar je verstand niet bij kan." Ik vind het prachtig dat enkele eeuwen na Pascal een andere geniale wiskundige, Kurt Gödel, zelfs formeel wiskundig heeft bewezen dat de wiskunde essentiële beperkingen heeft. Deze zogenaamde onvolledigheidsstelling, die in 1931 gepubliceerd werd, beschouw ik als het belangrijkste wiskundige resultaat van de vorige eeuw. Ook Pascal had al ervaren dat het geloof niet op een logische, rationele manier is af te leiden of te verkrijgen, maar een zaak van het hart is. God zorgt voor Stuwing in de Persoonlijkheid, zo zorgt hij voor de omkleding van het unieke;.... het Unieke in de Kosmos is en blijft Gods Geheim. En al zijn functie blijkt tot oneindig te gaan, dat staat haaks op het eigenbelang. Het is dus wel degelijk zoeken naar het "Laatste Zaaltje Met Gezond Verstand".

Want U of ik kunnen het natuurlijk vertellen, maar de "normale liefde" van de mens blijkt steeds slijtend. De drager van de causaliteit, de substantie, we blijven hem maar aanzien voor koel en nuchter en we blijven haar maar louter wetenschappelijk bezien. Doch ieder die de liefde zonder dat eigenbelang beziet, vind het nuchtere feit dat het om het "alles" gaat. Iemand die de werkelijke liefde kent reduceert het in zijn gedachten niet tot materie. Slechts als je dat hebt weggezet, al groeiende in het leven, dan wordt het lichter, en het duister gaat dan breken, en dan pas zie je de liefde als "De echte levenswet". Dan pas vindt elk mens de God van zijn hart in zichzelf, en dat geeft een intense vreugde. Maar in het leven kan dat natuurlijk nooit zo blijven, men moet ook heel het causale met volkomen andere ogen leren bezien. Maar het is vooral de goddelijke geborgenheid, het geborgen-zijn in God die blijft. En deze mogelijkheid tot verlossing wás, ís, en zal altijd in de mens zijn.

De spartelende mens moet wel degelijk leren zwemmen in de levenszee. Hij heeft zelf de mogelijkheid de richting te bepalen. Maar ook de sociale en maatschappelijke problemen moeten tot een oplossing worden gebracht. Daar bij is er voor eeuwig een hulp, de eeuwigheid is de potentiële kracht van god. Zijn functies gaan tot in de eeuwigheid. Maar alweer, die functies staan haaks op het eigenbelang.
Het eigenbelang is een doodnormale absurditeit, maar dat moet U wel leren in te zien, want ze leidt vaak tot een zich afzetten tegen de omgeving, tegen een groep, of zelfs tegen een maatschappij. Maar dat mag zelfs van God, maar er bestaan wel grenzen aan zijn genade!
Deze zijn treffend verwoord; ....
Inferieur is het theïsme wat een grondslag voor moraal kan leggen, en een opvallende minachting voor de dood kan kweken; ....bovendien laat zoiets enthousiasmeren voor bloedige oorlogen en omvangrijke veroveringen. De treurigste en armzaligste vorm van het theïsme is er kennelijk ook, maar daar heb ik nooit ook maar één waardevolle gedachte in kunnen ontdekken. 

 — Arthur Schopenhauer —
 
En de wetenschappers die zich melden van "dit is niet waar" kunt U heel gewoon verwijzen naar "De census in de realiteit" .
Veel mensen begrijpen het maar niet, waarom kunnen we niet alle kennis, maar ook de dromen en idealen, met elkaar delen. De realiteit legt ons een censuur op, die zich direct vertaalt in de noodzaak ons te centreren op de poëtische zinnen in de taal. Er ligt een gevoeligheid in ieder onderwerp wat we met elkaar willen delen. Dat wat ons red is een spel, de precisie  moeten we open laten, het betwijfelen, als ook moeten we weleens over de rand gaan. De eigen verantwoordelijkheid ligt dan daar in dat we "introspectie" plegen, naar onze eigen aannamen en drijfveren. Wat het spel der poëzie maakt en redt, is deze specifieke beweging naar binnen. De Introspectie vormt in die zin een nooit wijkend besef van de beperktheid van het menselijk weten en kennen bij het handelen, wat we samen willen delen, moeten we ook kunnen verwoorden. Maar de census die de realiteit  ons oplegt, ze blijft!

Het geloof van een doener bestaat dus uit een soort van geesteshouding en bij het doen is er zelfs een bepaalde geestestoestand. Doeners kunnen geen dromers zijn! Een doener moet weer naar adem happen als hij in de openruimte van het onbekende en nog niet gewetene komt, dan moet hij zich weer centreren op de poëtische zinnen in zijn taal om zo mogelijk iets wat nuttig is, te verwoorden en met elkaar te delen. Er was een bepaalde leegte, maar door de concentratie en de contemplatie wordt die leegte toch steeds weer opgevuld, met poëtische woorden en zinnen. Waarin iedereen thuis is, op zijn eigen afzonderlijke manier, naar karakter, aanleg, en doen. Alle doeners hopen zo mogelijk alles te delen, en daar binnen in onze kern is te hopen dat de geesten minnelijk en prettig voor ons ingesteld zijn. En onze prettige herinneringen zijn daarbij onze reis-bagage naar binnen en naar buiten. En dat happen naar adem, dat mag zeker van God, God is liefde, hij kan niet onprettig zijn! 

En natuurlijk hoop ik dat hier mee het "Laatste Zaaltje Met Gezond Verstand" wel zo ongeveer is beschreven. Daar in dat zaaltje ligt in de huidige tijd het laatste verstand. Want ik vertel het maar gewoon, zo we het nu doen gaan de Goden niet verder! Het theïsme wat de dwazen ons opleggen is een enorme aanfluiting, ......het is een gereguleerde absurditeit in eigenbelang. Ik kan het ook anders vertellen; .....Uw wordt straks in hevige mate onderworpen aan het niet denken, want gek genoeg kan dat alleen nog Uw redding zijn! Zet alles alvast maar uit, ......we wensen al eeuwen onze beperktheid niet in te zien, en ons brein verondersteld zelf de baas te zijn.
We stellen beperking tegenover .....beperking, en gelijkwaardig aan elkaar en dan begint ........ niet de broederschap .....maar de oorlog, de opstand, de barricade,, de staatszucht. (Vondel)
Wiskundig vertelt, zo bestaat een verzameling slechts als resultante van gedeelde eenheid. Wat dus slechts de enkelvoudige aanpak mogelijk maakt; ......als je één voor één te werk gaat, en je handelt afzonderlijk in de differentie, kun je elk apart verrijken en je verrijkt met zekerheid jezelf. Degene die je wilt overtuigen, zal soms jou overtuigen en degene die je wilt verleiden zal jou verleiden. De vele druktes heeft U niet alleen niet nodig, Uw brein kan ze zelfs totaal niet aan, U faalt altijd door Uw beperktheid. Na zoveel eeuwen van beperktheid zou ik mijn mond maar is dicht gaan houden, er komt geen goed woord uit. Ga eerst maar eens op zoek naar het laatste verstand! En zet de rest van de rotzooi maar uit!


Weet U, U denkt voor iedereen een mens te zijn, maar dat is niet zo, voor de materialist bent U slechts een nummer, of een Robot of een Golem, waarmee hij wat wil doen. Machtig is zo'n materialistische krankzinnige dwaas,......maar de gek is op zijn laatste oortjes aan het lopen.
En daar moet U dus eerst vanaf om een vrij mens te zijn. Dan lukt het U misschien ook in dat zaaltje te komen met het laatste gezonde verstand!

Wat wordt er zo al in dat zaaltje besproken, laten we de dialoog van Spinoza nog eens bekijken;....
Liefde;....Ik zie, broeder Brein, dat mijn volmaaktheid te enenmale afhankelijk is van Uw volmaaktheid en daar Uw volmaaktheid uit dat wat gij gegrepen hebt en uit uw volmaaktheid op haar beurt de mijne voortvloeit, zo zeg mij eens of gij begrip hebt van een wezen, dat op de hoogste trap van volmaaktheid staat, zodat het door niets beperkt kan worden, en waarin ook ik begrepen ben?

Brein; ....Ik voor mij beschouw de natuur niet anders dan in haar geheel  oneindig en allervolmaakt. Mocht gij daaraan twijfelen vraag dan aan de rede, die zal het U uitleggen.

Rede; ....De waarheid hiervan staat bij mij vast. want indien wij de natuur willen beperken, zullen we haar -- het geen ongerijmd is -- door het Niet moeten Begrenzen. Deze ongerijmdheid ontgaan we door te stellen dat "Het zijn is"; ..... een eeuwige Eenheid, oneindig, almachtig enz. . De natuur toch is oneindig, alles is daarin begrepen, en wat daartoe niet  behoort noemen we het Niet.

Doch de Begeerte heeft daar wat tegen in te brengen; .....Maar deze eenheid is dan toch moeilijk te rijmen met de verscheidenheid die ik alom in de natuur opmerk. Immers ik zie dat denking geen gemeenschap heeft met uitgebreidheid. En dat de een de ander beperkt, en als gij nu buiten deze twee nog een derde wilt stellen, die in alles volmaakt is, dan ontbreken haar alle eigenschappen die denking en uitgebreidheid toekomen. En dit mag toch bij een geheel -- Waarbuiten niets is -- niet voorkomen. Maar bovendien, als dit derde wezen almachtig en volmaakt is, dan is het dit, omdat het zichzelf heeft voortgebracht; .... en niet omdat een ander het heeft voortgebracht. Maar begerig als de Begeerte is, vind ze ook dat die derde alwetend zou moeten zijn, daar de kennis van zichzelf alleen minder is dan de kennis van zichzelf met de kennis van  de andere twee.
Doch al deze dingen zitten volgens mij; ... De Liefde.... vol met tastbare tegenstrijdigheden. Daarom wil ik De Liefde aanraden zich tevreden te stellen met het geen ik "De begeerte" haar aanwijs en naar geen andere dingen om te zien.
De Liefde valt daarop in; .... Wat anders, o eerloze begeerte, hebt ge mij ooit aangewezen dan dingen die mij onmiddellijk ten verderve strekten? Want als ik mij ooit gehecht had aan datgene wat gij hebt aangewezen, dan  zou ik terstond vervolgd zijn door de twee hoofd vijanden van het menselijk geslacht, namelijk door haat en berouw, en ook menigmaal door schande. En daarom wend ik mij nogmaals tot de Rede en verzoek haar verder te gaan, om al die vijanden de mond te snoeren. 

Wel nu dan zij de Rede; .... Uw beweren, o Begeerte, dat gij onderscheid ziet in denking, uitgebreidheid en Substantie, is, zeg ik U, vals, want mij is het duidelijk dat er maar één Een is, die door zichzelf bestaat en van al het andere de drager is, die door zichzelf bestaat en van al het andere de drager is. Wilt gij het lichamelijke en verstandige zelfstandigheden noemen t.o.v. van de modi, die daarvan afhankelijk zijn, welaan, dan moet gij deze ook modi noemen t.o.v. de Substantie waarvan zij afhangen, want als door zichzelf bestaand worden zij door U niet begrepen.  En als zij op dezelfde manier als willen, voelen, verstaan, beminnen enz. verschillende zijn van het geen gij een denkende zelfstandigheid noemt, zo besluit ik ook, uw eigen bewijsvoering volgend, dat en de oneindige uitgebreidheid en denking, mitsgaders andere oneindige eigenschappen niets anders zijn dan modi van het enige, eeuwige door zichzelf bestaande wezen "De Één".
Van al deze modi vormen wij, Rede en Brein, een enige Eenheid, buiten welke men zich geen enkel ding denken kan.

De Begeerte is het niet eens met deze manier van spreken, verwarrend vind hij dat de schijn er is, dat het geheel iets zou zijn buiten of zonder zijn delen, en dit is toch werkelijk ongerijmd. Alle Filosofen zeggen immers eenstemmig dat het geheel is; ....een uit delen afgeleid begrip dat in de natuur-buiten het menselijk begrip niet bestaat. Bovendien verwart ge, zoals ik uit uw voorbeeld opmaak; ....Het geheel met de oorzaak, want in dezelfde betekenis als waarin ik zeg, het geheel bestaat alleen uit of door delen, stelt gij U denkende kracht voor  in zijn verhouding tot het verstand, de liefde enz. . Doch die moogt ge geen geheel noemen, maar wel een oorzaak van de door U genoemde uitwerkingen.

De rede valt hier op in; .... Nu is het mij duidelijk hoe gij tegen mij al Uw vrienden te hulp roept. Wat ge door Uw valse redeneringen niet kan bereiken, tracht ge thans door dubbelzinnigheid in woorden gedaan te krijgen. doch het zal U niet lukken "De Liefde" op uw hand te krijgen, opdat de liefde zich laat afleiden door begeerte. Gij beweert dus dat elke oorzaak, omdat zij een veroorzaker van uitwerkingen is, buiten die uitwerkingen gelegen moet zijn. Dit zegt ge echter, omdat gij alleen maar iets weet van de overgaande en niet van de inblijvende oorzaak, die geenszins iets buiten zichzelf voortbrengt.
Het begrijpen is b.v. de oorzaak van zijn begrippen, en daarom wordt het ook door mij, in zover die begrippen daarvan afhangen, een oorzaak genoemd. In hoeverre echter als het uit zijn begrippen bestaat, noem ik het geheel; .... de begrippen blijven besloten in het begrijpen. Zo is ook  God tegenover zijn uitwerkingen of scheppingen geen andere dan een inblijvende oorzaak en tevens een geheel.

O, gij Begeerte, gij wilt blijven bestaan en voelt dat zoiets alleen kan door grenzen, schillen, omhullingen en schijn te handhaven. Op deze ten verderve voerende manier poogt ge het Brein blijvend te beïnvloeden.
Maar ik, De Rede, tracht van binnenuit ---van uit de kern van elke mens-- de begeerteloze liefde te voeden. Deze Liefde streeft van nature  naar doorbreking van de grenzen en ik ben daardoor --zo door U, O Begeerte, aangevoeld-- de vijandin van de Begeerte. Ik, De Rede, begrijp deze vijandschap. Daarom tracht ik de Liefde levend te houden opdat zij niet sterven.

Universele wetmatigheid, Recht, De Wet, De Thora bestaan en kunnen als zodanig bestaan en kunnen als zodanig erkend worden, zolang "De Liefde" als genade werkzaam is en blijft. En dat zijn ze nu eenmaal, (h)erkend of niet (h)erkend.


Dit vertel ik U namens allen, de duizenden grote geesten, en heel het liefelijke en zoete collegianten leger. Mooier en voortreffelijker konden de Goden het niet maken .....de Zachte krachten zullen zeker winnen in 't eind.....dit hoor ik als een innig fluisteren in mij. Zoo 't zweeg zou alle licht verduisteren en alle warmte zou verstarren van binnen. En wat er verder nog wordt gemeend en gedacht, is alleen bekend aan het materiële ego, ook wel genoemd de begeerte, dat was het wat het doet verstarren, dat moet je dus niet hebben van binnen. Lach daarom om Uw inhoud, Uw begrip, want uit liefde zal het U ontnomen worden!

 
Nardocus Filosofus